4 januari 1710 – 16 maart 1736 | Giovanni Battista Pergolesi, componist van het meest ontroerende en volmaakte duet

Vandaag precies 285 jaar geleden overleed op 26-jarige leeftijd Giovanni Battista Pergolesi. Hij had nog net de laatste hand kunnen leggen aan zijn Stabat Mater, voordat hij bezweek aan tbc. Twee weken later, op Goede Vrijdag, werd zijn finale werk voor het eerst uitgevoerd. In de tussentijd was Pergolesi haastig begraven in een massagraf.

Het Stabat Mater is een van de weinige composities die Pergolesi in zijn korte leven heeft kunnen schrijven. Maar het is wel een van de indrukwekkendste werken van de muziekliteratuur. Het eerste deel hakt er meteen vanaf de eerste maat in. De stijgende melodielijn wringt onmiddellijk dissonant, lost even op, wringt onmiddellijk dissonant verder; steeds hoger, zoekend, schijnbaar eindeloos, tijdloos. Tijdloos, nu, na bijna 300 jaar, nog altijd keeldichtknijpende muziek.

Toch was Pergolesi in zijn tijd vooral bekend om zijn komische opera’s. Barbara Russano Hanning (‘Concise history of western music’) omschrijft Pergolesi als “an early master of the comic intermezzo”. Hij blinkt uit door zijn vermogen om op precies het juist moment met een korte pennenstreek de juiste sfeer neer te zetten. Zo zegt zij over zijn komische opera La serva padrona: “The scene after Serpina tells Uberto that she will marry another displays the extraordinary aptness and nimbleness of Pergolesi’s music.”

La serva padrona “is wellicht bekender uit de operahandboeken dan van de in Nederland relatief zeldzame uitvoeringen” (operamagazine.nl, naar aanleiding van een uitvoering tijdens het Festival Oude Muziek in 2019). Een kleine 16 jaar na Pergolesi’s overlijden werd dit korte komische intermezzo, bedoeld als luchtig tussendoortje van een ernstige opera, het middelpunt van een ruzie tussen muziekfilosofen (‘La querelle des bouffons’). Aan de ene kant Lully en Rameau als vertegenwoordigers van de serieuzere Franse tragédie lyrique, aan de andere kant Rousseau als verdediger van de lichtvoetige Italiaanse opera buffa. 

Andere composities van Pergolesi zijn vooral door Stravinsky bekend geworden, die thema’s van Pergolesi verwerkte in zijn Suite voor viool en piano en in zijn ballet Pulcinella (1919). 

Caspar Höweler, schrijver van ‘XYZ der muziek’, een standaardwerk dat halverwege de vorige eeuw in menig huiskamer in de boekenkast prijkte, wond zich op over de relatieve onbekendheid van Pergolesi. Hij vond dat de componist veel meer eer toekwam. Hij begint zijn korte biografie van de componist met de zin: “Het dorpje Jesi bij Ancona verdiende wereldberoemd te zijn omdat deze jonggestorven lieveling der goden  volgens de uitspraak van Plautus – daar geboren is.” En iets verderop beschrijft hij hoe teleurgesteld Pergolesi is over de slechte ontvangst van een nieuwe opera en zich dan maar richt op het schrijven van instrumentale werken, “waaronder 30 triosonates, die schandelijk genoeg nooit worden uitgevoerd”. 

Voor mij verliep de kennismaking met Pergolesi volledig anders. Hij was een van de eerste componisten waar ik helemaal idolaat van was. In mijn tienerjaren draaide ik de langspeelplaat grijs waarop Rampal Pergolesi’s fluitconcerten in D en in G speelde. Deze twee korte concertjes behoorden wat mij betreft tot de top van de fluitmuziek. Met name het concert in G sprong er uit. Ik werd altijd vrolijk van het eerste en derde deel, maar voelde ook wel het tikje weemoed in een enkele maat. Het tweede deel gaf me altijd een brok in de keel. 

Ik schrok toen ik ontdekte dat Pergolesi al op 26-jarige leeftijd was overleden. Als 13-jarige was ik begonnen om een verzamelalbum met plaatjes van componisten aan te leggen. Ik knipte de plaatjes uit de ‘radiobode’, trok portretjes op overtrekpapier over uit encyclopedieën en muziekboeken die ik uit de bibliotheek leende. Zo had ik al een ringband vol met portretjes van componisten en bijbehorende jaartallen. Meestal oude mannen met pruiken, voor eeuwig humorloos streng voor zich uitkijkend. Het portret van Pergolesi sprong daar tussenuit: een jonge jongen, het haar losjes in een staart met strik. Voor altijd een jonge jongen.

Ik was fan van Pergolesi. Toen ik mij voorbereidde op mijn toelatingsexamen voor het conservatorium, ik was 17, vroeg mijn docente wat mijn favoriete stuk was. Zij zat op dat moment zelf vlak voor haar eindexamen UM, stond met één been nog in de wereld van het conservatorium. Vol overtuiging antwoordde ik direct: “De fluitconcerten van Pergolesi!” Ze begon een beetje te lachen, om me vervolgens te waarschuwen: “Zeg dat maar nooit op het conservatorium, want die stukken worden niet als fluitliteratuur beschouwd.”

Zo bleef Pergolesi een geheime liefde.

Totdat ik zelf les ging geven en me weer geheel vrij voelde in repertoirekeuze. Diverse leerlingen hebben inmiddels het concert in G gespeeld. De orkestpartij is prima op piano te spelen. De bezetting is namelijk zo dun, dat er weinig verloren gaat in de transcriptie naar piano. Dit concert samenspelen met fluit en piano is elke keer weer een hoogtepuntje, niet alleen voor mijzelf, maar gelukkig ook voor mijn leerlingen. De een is zo mogelijk nog enthousiaster dan de ander – tieners en volwassenen. De muziek blijft eeuwig mooi, zelfs al wordt die niet altijd even briljant gespeeld. Maar elke leerling die het speelt, wordt geraakt, altijd bij dezelfde passages. 

Ik ben nog steeds fan van Pergolesi. Ik kan nog steeds een tikje weemoedig worden van het feit dat deze jongen zo’n tragisch kort leven gehad heeft. En niet alleen tragisch kort, maar ook nog eens van een onmenselijk verdriet tijdens het leven zelf. Kort samengevat: “Pergolesi kwam uit een ziekelijke familie, zijn moeder stierf jong, en twee broers en een zus overleefden hun kindertijd niet. De kleine Giovanni was mank, waarschijnlijk door polio, en leed al vroeg aan tuberculose. Zijn loopbaan als kapelmeester en componist duurde maar zo’n zes jaar, op zijn 26ste werd de tbc hem uiteindelijk fataal.” (classicstogo.nl). Voeg daar nog aan toe het jaar 1732, het jaar van de mislukte opera, en het jaar waarin Pergolesi’s vader overleed. Pergolesi zelf had toen nog maar vier jaar te gaan.

Met nog geen 90 woorden een kort leven samengevat. Een kort leven vol tragiek. Die wellicht van de jonge jongen de componist gemaakt heeft van wat Rousseau omschrijft als “het meest volmaakte en ontroerende duet dat ooit van de pen van een componist is gevloeid”. 

Luister op YouTube naar het Stabat Mater https://youtu.be/X23QFnl3dbU of naar het fluitconcert in G met Rampal https://youtu.be/OdcNaFcR4xg.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

De begrafenis van Klein Duimpje

Tot de favoriete stukken van mijn leerlingen behoren al jarenlang de 5 Pezzi facili van Nino Rota, voor fluit en piano. Het album met deze vijf miniatuurtjes, ooit gevonden in een tweedehands bladmuziekwinkel, bleek een gelukstreffer. De titel ‘facili’ zegt niet zozeer iets over de technische moeilijkheidsgraad, als wel over de muzikale vorm. De stukjes zijn ideaal om op een toegankelijke en speelse manier nieuwe speeltechnieken en leesvaardigheid te ontwikkelen.

De Serenata heeft als thema een eenvoudig wijsje in 6/8 maat, waarbij de fluitpartij in 2 x 3/8 geschreven is en de piano in 3 x 2/8. Er zitten diverse toevallige voortekens in en het stukje eindigt op een flageolet. De daaropvolgende Pavana ademt de melancholiek-verlangende Rota-sfeer zoals we die kennen van het Siciliaanse liefdesthema in ‘The Godfather’. Een prachtig stukje om met klank te kleuren, en terloops nog even cessen en gessen weg te spelen. Hierna volgt La chioccia, ofwel ‘De kip’. Met korte voorslagjes en lange Flatterzungetonen drukt Rota op meesterlijke wijze het drukke gekakel van de kip uit. Tot slot volgt Il soldatino, waarin je de stramme bewegingen van het tinnen soldaatje in de zestiendenpassages herkent.

Maar het hoogtepunt van deze vijf stukjes vormt toch wel het eerste deeltje: La passeggiata di Puccettino, ‘De wandeling van Klein Duimpje’. Dit stukje is in een ABA’-vorm geschreven, waarbij het B-gedeelte een schril contrast vormt met het A-gedeelte. Wat voor contrast, dat mogen mijn leerlingen altijd vertellen.

Bedenk dat Klein Duimpjes wandeling al zo’n 25 jaar deel uitmaakt van mijn lesrepertoire. Al 25 jaar lang verzinnen alle leerlingen, onafhankelijk van elkaar, in grote lijnen hetzelfde verhaal bij de muziek:

het A-gedeelte: Klein Duimpje wandelt/huppelt zorgeloos door het bos/in de bergen/door een veld met bloemen; hij fluit een deuntje/plukt wat bloemetjes; hij draagt een knapzakje/een kort broekje/bretels;
het B-gedeelte: plotseling verschijnt in de verte een hongerige wolf/een grote reus/begint het te onweren; de wolf/de reus/het onweer komt dreigend dichterbij; en dan, even plotseling, verdwijnt de wolf/de reus/het onweer weer in de verte (ritenuto);
het A’-gedeelte: Klein Duimpje vervolgt zorgeloos zijn wandeling, alsof er niets gebeurd is. 

In kleine details variëren de verhalen van elkaar, maar grofweg komt iedereen – inclusief ikzelf – altijd uit op het contrast zorgeloos versus gevaar.

Tot afgelopen najaar. Toen maakten twee 17-jarige leerlingen, die al jaren samen les hebben, voor het eerst kennis met Klein Duimpje. Zelf heb ik ze inmiddels bijna anderhalf jaar onder mijn hoede. In het begin leken ze wat schuchter en introvert, maar na verloop van tijd bleken de twee wel degelijk een praatgraag, enthousiast, fantasierijk duo te vormen. De een begint, de ander vult aan, nummer een haakt daar weer op in, nummer twee gaat daar weer op door… En zo kreeg de wandeling van Klein Duimpje een onverwachte wending:

het A-gedeelte: Klein Duimpje wandelt vrolijk door het bos, er dansen allemaal kleurrijke vlindertjes om hem heen;
het B-gedeelte: plotseling verschijnt in de verte de grote, boze wolf; hij komt steeds dichterbij, nog dichterbij, nòg dichterbij, en: hap! Klein Duimpje verdwijnt in de muil van de grote, boze wolf; Klein Duimpje blaast zijn laatste adem uit (ritenuto);
het A’-gedeelte: op de begrafenis van Klein Duimpje halen alle vrienden en familieleden dierbare herinneringen op aan Klein Duimpje die altijd zo graag uit wandelen ging.

Ook na jaren blijft hetzelfde lesrepertoire nog altijd even verrassend!

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

 

Kunst – omdat we het willen

Maart 2020: het coronavirus zet ons leven op zijn kop. Kuddedieren die we zijn, moeten we van de ene op de andere dag op gepaste afstand van elkaar ons leven opnieuw vormgeven. We moeten thuis werken, scholen gaan dicht, muziekscholen gaan dicht (voor zover ze in een eerdere crisis niet al voorgoed gesloten waren), sportclubs zijn gesloten, musea, concertzalen, bioscopen, terrasjes… Je bejaarde tante even meenemen voor een autoritje − even het huis uit, even wat anders doen dan in bed liggen −, je studerende kinderen gezellig over de vloer, verjaarsfeestjes: overal ligt ineens een dreigende smet op.

De regering haastte zich met een pakket financiële noodmaatregelen. Er werd geld vrijgemaakt voor ondernemingen die in zware tijden dreigden te raken, het aanvragen van tijdelijke uitkeringen voor ZZP’ers werd ‘gemakkelijker’ gemaakt (qua regelgeving, niet qua invullen van het formulier dat niet aan die regelgeving is aangepast). Men ging nadenken over bonussen voor verpleegkundigen, die ineens onmisbaar bleken. Bijna vergat men de culturele sector. Die kreeg op het laatst ook nog wat geld toegeschoven.

En wat doen de mensen, nu ze elkaar niet meer mogen opzoeken? Ze organiseren online literaire voordrachten, online concerten, bezoeken virtueel een museum, zetten de muzieklessen online voort. Nu ze op sociaal gebied gekortwiekt worden, gaan ze op zoek naar een andere zingeving. En die vinden ze precies daar waar de laatste jaren van overheidswege de minste interesse naar uitging: cultuur. 

Zoals zoveel collega’s geef ik bijna al mijn leerlingen sinds maart online les. De jongere generatie was het gelukkig al ruimschoots gewend om naar schermpjes te kijken. Een enkele oudere leerling moet nog inzien wat online lessen kunnen toevoegen aan het echte muziek maken: echt samenspelen kan niet (als we het hebben over meer dan alleen samen beginnen en eindigen), de klank laat te wensen over, naar een scherm kijken is niet fijn − maar toch: het blijkt ook enorm inspirerend te kunnen zijn. Sterker nog: het lijkt wel of sommige leerlingen meer studeren dan ooit!

Wat te denken over de kinderen die me nu ineens tussen de lessen door appen: hoe grijp je ook alweer de gis? Of: heb ik de melodie zo goed een octaaf hoger opgeschreven? Of: hé, je zou me nog een scan sturen van dat nieuwe stuk, maar dat heb je nog steeds niet gedaan (8.00 zaterdagochtend, de dag na de les). Of, een cellist van een ensemble waar ik nu iedereen eerst apart neem om de partijen te bekijken en we daarna nog gezamenlijk de partituur bestuderen en analyseren: heb je nog een tip voor een leuk theorieboek? Normaal gesproken vinden dit soort gesprekjes in de les plaats, maar in het online-lestijdperk is de drempel ineens veel lager. Waarom een week wachten als je nu al even snel kunt communiceren?

Ik heb het hier over leerlingen uit alle lagen van de maatschappij en van alle leeftijden: van 8- tot 80-jarigen, dorps- en stadskinderen, de dochter van de boer, de dochter van de leraar, de verpleegkundige, de bakker en de maatschappelijk werker. En ook de kunstenaar en de arts en de hoogleraar. Kortom: over de mens in het algemeen. Stuk voor stuk grijpen ze ineens alle kansen aan om zich in hun vrije tijd bezig te houden met iets wat niet in geld uit te drukken is: genieten van mooie dingen.

Als er één ding is dat we in dit coronatijdperk kunnen leren, dan is dat dit: we kunnen niet zonder kunst. Of het nou muziek is, Beethoven of de Oompah Loompah Song, theater in de Stadsschouwburg of de 8e-groep musical: we vragen er zelf om. Iedereen. Gewoon, omdat we dat willen.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Moeilijk plekje

Sinds ik twee jaar geleden met paardrijden begon, besef ik pas echt hoe cruciaal de invloed van een docent is. Als ik geen instructeurs had gehad die mij met het volste vertrouwen op een paard gezet hadden, dan zou ik nooit zo hebben kunnen rijden als ik nu doe. (meer…)

Studeren is ook een kunst

Ik studeerde vroeger nooit veel. Een half uurtje per dag zal het gemiddeld geweest zijn. Maar ik haalde daarmee op mijn sloffen datgene wat ik moest halen. De lessen op de muziekschool (slechts een half uur per week) bij mijn leraar Bob Doeve waren altijd een feestje. Hij was streng, maar hij liet het ook merken als hij tevreden was. Ik fietste altijd vrolijk van de lessen naar huis. Doeve vond dat ik muzikaal speelde en goede oren had. Ik wist ook, want dat stond in een van mijn muziekschoolrapporten, dat mijn vingertechniek niet zo goed was. (meer…)

Tijdloos in de Achterhoek

Verhuisd van Amsterdam naar Eibergen. Voor wie niet één-twee-drie weet waar dat ligt: in de Achterhoek, vlakbij Groenlo (aaah!), dicht tegen de Duitse grens (dat is wel heel ver weg van Amsterdam!). Een grote stap, volgens zowel Amsterdammers als Achterhoekers. (meer…)

Denemarken-Nederland: 1-0

Deze zomer waren we op vakantie in Denemarken. Onze zoon Tim nam deel aan het Thy Chamber Music Festival, een internationaal kamermuziekfestival dat plaatsvindt in Noord-Jutland. Reden om een huisje in die contreien te zoeken, voor een vakantie met natuur en cultuur. (meer…)

Over paardrijden en fluitspelen

Als klein meisje heb ik altijd paard willen rijden. Omdat ik echter al een dure hobby had – fluitspelen – vonden mijn ouders het niet goed dat ik ook nog eens op paardrijles zou gaan. Ik vermaakte me daarom met surrogaat- en fantasiepaarden: het standbeeld van een hertje op het grasveld voor de kerk, mijn fiets, waar ik via een ingenieuze constructie “stijgbeugels” aan vast maakte (in werkelijkheid waren het de turnringen die in de garage hingen). (meer…)