Vandaag precies 285 jaar geleden overleed op 26-jarige leeftijd Giovanni Battista Pergolesi. Hij had nog net de laatste hand kunnen leggen aan zijn Stabat Mater, voordat hij bezweek aan tbc. Twee weken later, op Goede Vrijdag, werd zijn finale werk voor het eerst uitgevoerd. In de tussentijd was Pergolesi haastig begraven in een massagraf.

Het Stabat Mater is een van de weinige composities die Pergolesi in zijn korte leven heeft kunnen schrijven. Maar het is wel een van de indrukwekkendste werken van de muziekliteratuur. Het eerste deel hakt er meteen vanaf de eerste maat in. De stijgende melodielijn wringt onmiddellijk dissonant, lost even op, wringt onmiddellijk dissonant verder; steeds hoger, zoekend, schijnbaar eindeloos, tijdloos. Tijdloos, nu, na bijna 300 jaar, nog altijd keeldichtknijpende muziek.

Toch was Pergolesi in zijn tijd vooral bekend om zijn komische opera’s. Barbara Russano Hanning (‘Concise history of western music’) omschrijft Pergolesi als “an early master of the comic intermezzo”. Hij blinkt uit door zijn vermogen om op precies het juist moment met een korte pennenstreek de juiste sfeer neer te zetten. Zo zegt zij over zijn komische opera La serva padrona: “The scene after Serpina tells Uberto that she will marry another displays the extraordinary aptness and nimbleness of Pergolesi’s music.”

La serva padrona “is wellicht bekender uit de operahandboeken dan van de in Nederland relatief zeldzame uitvoeringen” (operamagazine.nl, naar aanleiding van een uitvoering tijdens het Festival Oude Muziek in 2019). Een kleine 16 jaar na Pergolesi’s overlijden werd dit korte komische intermezzo, bedoeld als luchtig tussendoortje van een ernstige opera, het middelpunt van een ruzie tussen muziekfilosofen (‘La querelle des bouffons’). Aan de ene kant Lully en Rameau als vertegenwoordigers van de serieuzere Franse tragédie lyrique, aan de andere kant Rousseau als verdediger van de lichtvoetige Italiaanse opera buffa. 

Andere composities van Pergolesi zijn vooral door Stravinsky bekend geworden, die thema’s van Pergolesi verwerkte in zijn Suite voor viool en piano en in zijn ballet Pulcinella (1919). 

Caspar Höweler, schrijver van ‘XYZ der muziek’, een standaardwerk dat halverwege de vorige eeuw in menig huiskamer in de boekenkast prijkte, wond zich op over de relatieve onbekendheid van Pergolesi. Hij vond dat de componist veel meer eer toekwam. Hij begint zijn korte biografie van de componist met de zin: “Het dorpje Jesi bij Ancona verdiende wereldberoemd te zijn omdat deze jonggestorven lieveling der goden  volgens de uitspraak van Plautus – daar geboren is.” En iets verderop beschrijft hij hoe teleurgesteld Pergolesi is over de slechte ontvangst van een nieuwe opera en zich dan maar richt op het schrijven van instrumentale werken, “waaronder 30 triosonates, die schandelijk genoeg nooit worden uitgevoerd”. 

Voor mij verliep de kennismaking met Pergolesi volledig anders. Hij was een van de eerste componisten waar ik helemaal idolaat van was. In mijn tienerjaren draaide ik de langspeelplaat grijs waarop Rampal Pergolesi’s fluitconcerten in D en in G speelde. Deze twee korte concertjes behoorden wat mij betreft tot de top van de fluitmuziek. Met name het concert in G sprong er uit. Ik werd altijd vrolijk van het eerste en derde deel, maar voelde ook wel het tikje weemoed in een enkele maat. Het tweede deel gaf me altijd een brok in de keel. 

Ik schrok toen ik ontdekte dat Pergolesi al op 26-jarige leeftijd was overleden. Als 13-jarige was ik begonnen om een verzamelalbum met plaatjes van componisten aan te leggen. Ik knipte de plaatjes uit de ‘radiobode’, trok portretjes op overtrekpapier over uit encyclopedieën en muziekboeken die ik uit de bibliotheek leende. Zo had ik al een ringband vol met portretjes van componisten en bijbehorende jaartallen. Meestal oude mannen met pruiken, voor eeuwig humorloos streng voor zich uitkijkend. Het portret van Pergolesi sprong daar tussenuit: een jonge jongen, het haar losjes in een staart met strik. Voor altijd een jonge jongen.

Ik was fan van Pergolesi. Toen ik mij voorbereidde op mijn toelatingsexamen voor het conservatorium, ik was 17, vroeg mijn docente wat mijn favoriete stuk was. Zij zat op dat moment zelf vlak voor haar eindexamen UM, stond met één been nog in de wereld van het conservatorium. Vol overtuiging antwoordde ik direct: “De fluitconcerten van Pergolesi!” Ze begon een beetje te lachen, om me vervolgens te waarschuwen: “Zeg dat maar nooit op het conservatorium, want die stukken worden niet als fluitliteratuur beschouwd.”

Zo bleef Pergolesi een geheime liefde.

Totdat ik zelf les ging geven en me weer geheel vrij voelde in repertoirekeuze. Diverse leerlingen hebben inmiddels het concert in G gespeeld. De orkestpartij is prima op piano te spelen. De bezetting is namelijk zo dun, dat er weinig verloren gaat in de transcriptie naar piano. Dit concert samenspelen met fluit en piano is elke keer weer een hoogtepuntje, niet alleen voor mijzelf, maar gelukkig ook voor mijn leerlingen. De een is zo mogelijk nog enthousiaster dan de ander – tieners en volwassenen. De muziek blijft eeuwig mooi, zelfs al wordt die niet altijd even briljant gespeeld. Maar elke leerling die het speelt, wordt geraakt, altijd bij dezelfde passages. 

Ik ben nog steeds fan van Pergolesi. Ik kan nog steeds een tikje weemoedig worden van het feit dat deze jongen zo’n tragisch kort leven gehad heeft. En niet alleen tragisch kort, maar ook nog eens van een onmenselijk verdriet tijdens het leven zelf. Kort samengevat: “Pergolesi kwam uit een ziekelijke familie, zijn moeder stierf jong, en twee broers en een zus overleefden hun kindertijd niet. De kleine Giovanni was mank, waarschijnlijk door polio, en leed al vroeg aan tuberculose. Zijn loopbaan als kapelmeester en componist duurde maar zo’n zes jaar, op zijn 26ste werd de tbc hem uiteindelijk fataal.” (classicstogo.nl). Voeg daar nog aan toe het jaar 1732, het jaar van de mislukte opera, en het jaar waarin Pergolesi’s vader overleed. Pergolesi zelf had toen nog maar vier jaar te gaan.

Met nog geen 90 woorden een kort leven samengevat. Een kort leven vol tragiek. Die wellicht van de jonge jongen de componist gemaakt heeft van wat Rousseau omschrijft als “het meest volmaakte en ontroerende duet dat ooit van de pen van een componist is gevloeid”. 

Luister op YouTube naar het Stabat Mater https://youtu.be/X23QFnl3dbU of naar het fluitconcert in G met Rampal https://youtu.be/OdcNaFcR4xg.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Categorieën: muziek

1 reactie

Mieneke · 16 maart 2021 op 21:20

Je beschrijft dit zo mooi ,zelf draaide ik in mijn jaren in Zwitserland en ook erna die fluitconcerten van Rampals fluitconcerten.Het stabat mater luister ik nog veel.Dank je voor beschrijving

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *