Wie kent het verhaal van Bambi niet, het jonge hertje dat vrolijke avonturen beleeft met zijn vriendjes Stamper het konijn en Bloempje het stinkdier. Na elk avontuur weet hij zich weer veilig onder de bescherming van zijn wijze en begripvolle moeder. Totdat het noodlot toeslaat. Het is winter, het sneeuwt, Bambi en zijn moeder hebben honger. In hun zoektocht naar eten verliezen ze de omgeving uit het oog en komen ze midden op een open veld terecht. Op de achtergrond hoor je een repeterend drietonig chromatisch motiefje, dat steeds opdringeriger wordt. Bambi’s moeder kijkt verschrikt op: jagers! “Vlug, Bambi, de bosjes!” We zien moeder en zoon rennen, rennen, rennen voor hun leven, paniekerige muziek op de achtergrond. Er klinkt een schot, we zien Bambi doorrennen, de duisternis in van het veilige bos. De muziek komt tot rust, het wordt stil. Hijgend zegt Bambi: “’t Is gelukt, ‘t is gelukt, mama, ‘t i… – mama?” Bambi kijkt vertwijfeld om zich heen en roept weer om zijn mama. En weer. Eerst vragend, dan steeds angstiger, met een overslaand stemmetje, en tot slot verslagen huilend. Er klinkt zachte, klagelijke muziek. Een schim doemt op – zwijgend en imposant staat daar de leider van de kudde, Bambi’s vader. De muziek stopt, het wordt stil – we zien alleen nog sneeuwvlokken vallen. Dan begint hij te spreken tegen Bambi: “Je moeder kan niet meer bij je zijn… De mensen hebben haar meegenomen… Nu moet je dapper zijn en leren op eigen benen te staan. Kom, mijn zoon, kom.” De klagelijke muziek begint weer te klinken, vader en zoon lopen achter elkaar aan uit beeld. Bambi kijkt nog één keer om.

De kracht van deze scène zit in de opbouw van de spanning: het crescendo in het chromatische jagersmotief, de paniek, de kalmte die terugkeert, overgaand in een dreigende klaagzang, culminerend in intense stilte. Tussen de tweede en derde zin die Bambi’s vader uitspreekt blijft het een volle vier seconden doodstil. Je ziet duisternis, traag vallende sneeuwvlokken, een grote traan die langzaam uit Bambi’s oog biggelt. Op hetzelfde moment als bij Bambi dringt bij de kijker de dramatische werkelijkheid door. Het zijn niet alleen de tranen van Bambi die neerdruppelen.

Deze scène is een prachtig voorbeeld van hoe beeld, muziek en tekst elkaar kunnen versterken in stilte. De muziek zwijgt, Bambi’s vader zwijgt, het beeld staat stil, op een paar traag vallende sneeuwvlokken na.

Stilte is een krachtig uitdrukkingsmiddel. Maar ook een heel moeilijk uitdrukkingsmiddel. Je moet namelijk durven om stil te zijn.

Toen ik 17 was, soleerde ik in het Concertino van Chaminade, begeleid door het Amersfoorts Jeugd Orkest. Ik kon het stuk dromen. Maar de cadens – helemaal in mijn eentje, het orkest zwijgend op de achtergrond – vond ik eng. Ik was meer bezig met of het goed zou gaan, dan dat ik echt kon luisteren. Ik wist dat de fermate op de g3 in de cadens een magisch moment moest zijn. Maar ik hoorde het nooit echt, thuis niet en al helemaal niet op het podium. Ik was ervan overtuigd dat ik die g3 lang aanhield. Maar toen ik de opname van het concert terughoorde, bleek de fermate in werkelijkheid heel kort te duren. Als ik echt had kunnen luisteren, had ik tijdens het spelen van die eenzame hoge toon stilte kunnen horen ontstaan. Ik had echter slechts een hoge toon gehoord waarvan ik twijfelde of die wel mooi genoeg klonk en waar ik eigenlijk zo snel mogelijk weer vanaf wilde.

Gelukkig heb ik wel kunnen leren om te luisteren tijdens het spelen. Dat gaf veel meer houvast op het podium. Nu, als docent, hoop ik natuurlijk dat ik deze ervaring kan overbrengen aan mijn leerlingen. Leren luisteren is dan ook mijn voornaamste doel bij het lesgeven. Tot het leerpakket horen dingen als: zo vroeg mogelijk in de ontwikkeling beginnen met hard en zacht leren spelen, de leerling leren luisteren naar het verschil tussen een sterk of zacht, snel of langzaam gespeeld stukje; stil blijven staan als je de laatste noot gespeeld hebt, luisteren naar de stilte daarna. Maar toch, al herhaal je het nog zo vaak, er moet voor de leerling altijd een aanleiding zijn dat er ineens een kwartje gaat vallen.

Ik had een leerling op les (50+) die één bonk onrust was. Ze was bij mij op les gekomen omdat ze wat meer aan haar klank wilde werken. Volgens haar lag het aan haar embouchure, maar het was voor mij zo klaar als een klontje dat het aan haar adembeheersing lag. Het liefst wilde zij meteen blazen, tijd nemen voor inademen vergde te veel van haar geduld. Oefeningen voor een goede lage inademing vond zij zonde van de lestijd (“moeten we niet eens aan de les beginnen?”), als er twee tellen rust in haar partij voorkwamen sloeg ze die stelselmatig over omdat het dan zo lang duurde. Als ik iets wilde uitleggen begon ze dwars door mijn uitleg heen alweer te spelen. Ze had inmiddels wel begrepen wat ik wilde zeggen, dacht ze. Dat ze ondertussen helemáál niet doorhad wat ik duidelijk wilde maken, bleek uit een les waarin ik haar wilde laten horen hoe groot de impact van stilte kan zijn. Het ging om een diminuendo-passage, uitlopend op een rust met fermate. De duidelijkste uitleg leek mij om de passage voor te spelen en te laten horen hoe de spanning van de uitgerekte rust oplost in ontspanning wanneer het thema weer piano ingezet wordt. Dus ik begon – grote drieklank, kleine drieklank, diminuendo, fermate… en werd abrupt onderbroken door mijn leerling. “Jaja, ik begrijp het”, zei ze – dwars door de stilte heen.

In zo’n geval moeten er duidelijk andere middelen uit de kast gehaald worden. Hoe ervaar je stilte als je niet de speler bent, maar het publiek? Ik gaf deze leerling, ervaren concertbezoekster, opdracht voortaan eens op de dirigent en de stok van de strijkers te letten: wat doen zij om een stilte stil te laten zijn? Hoe betrekken zij het publiek bij hun stilte? In groepslessen kan je die rolverdeling publiek – speler ook prachtig toepassen: wat voor invloed heeft de manier waarop een medeleerling speelt op de leerlingen die luisteren?

Ik herinner me een groepsles met jonge kinderen, die van nature niet bepaald stil konden zitten of stil konden luisteren. En ook niet stil konden spelen. Maar wat maakte dat veel indruk op de kinderen, toen bleek hoeveel invloed zij als speler bleken te hebben op hun luisteraars. Ik had een van de spelertjes opdracht gegeven om zo lang mogelijk stil te blijven staan na zijn zachte slotnoot en te zien wat er dan met de andere kinderen gebeurde. Het bleef heel lang stil en pas na een tijdje begon één van de leerlingen zich te bewegen, heel langzaam en voorzichtig. De anderen volgden aarzelend – alsof ze betoverd waren door hun medeleerling.

Een heel mooi moment maakte ik mee met een 13-jarig meisje. Ik had een leerlingenuitvoering georganiseerd, waar ter afsluiting zoon Tim en dochter Anne met hun pianotrio het eerste deel van Tsjaikovski’s trio speelden. Tsjaikovski schreef dit werk ter nagedachtenis aan zijn goede vriend, de pianist Nikolai Rubinstein. Het eerst deel heeft dan ook als titel “Pezzo elegiaco”, klaagzang. Het meest indrukwekkende moment is de stilte die ontstaat uit een eenzame vioolsolo, een stilte waarna het stuk vervolgt met een uiterst zacht gespeeld, melancholiek thema. Het publiek, bestaand uit ouders en jonge leerlingen, was tijdens de uitvoering ervan doodstil.

De week hierna kwam het meisje op les. Ze speelde het Menuet uit de Suite Romantique van Berthomieu, eindigend op een lang aangehouden, diminuerende c3. Ze hield haar slottoon prachtig zacht aan en bleef daarna doodstil staan. Er viel een indrukwekkende stilte in de les. Ik was perplex en zei dat ook. Waarop ze zei: “Ik vond dat zo mooi in dat trio.”

Soms hebben woorden geen zin om uit te leggen wat je bedoelt. Soms is het beter om het de leerling zelf te laten ervaren, door ze in de rol van luisteraar te laten kruipen. Of door ze de klassieker Bambi te laten kijken.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Categorieën: muziek

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.