Over Franse grammatica en een Russische brombeer

Beloning werkt stimulerend. Een compliment kan een aanmoediging zijn – “als ik zo doorga wordt het steeds beter” – een gevoel van zelfvertrouwen of trots geven – “ik kan het!” – en daarmee motiveren om verder te studeren.  

Dat klinkt een ieder ongetwijfeld overbekend in de oren. Maar zo simpel is het in de praktijk vaak niet.

Een paar jaar geleden kreeg ik een 22-jarige studente op proefles. Ze had me vantevoren verteld welke stukken ze op haar repertoire had staan: Poulenc sonate, Schubert variaties, en zo meer. Ze vertelde me dat ze ooit had overwogen naar het conservatorium te gaan, maar dat het haar toch niet zo’n aantrekkelijk idee leek om zoveel uren te moeten studeren. Qua niveau had ze het wel gemakkelijk aangekund, zei ze. Ik was benieuwd, het leek me wel leuk zo’n talentvolle leerling op les te krijgen.

Ze ging spelen, ze koos Poulenc uit. Na een paar maten kreeg ik het flink benauwd: ze had een grote toon, dat was waar. En ze speelde ritmisch, dat was ook waar. Maar haar loopjes waren verschrikkelijk slordig, haar articulatie was volkomen willekeurig, van dynamiek – laat staan vibrato – had ze kennelijk nog nooit gehoord. Ze speelde als een machine die niet te stoppen is. Alles klonk even hard, even ongenuanceerd en in feite: onverschillig.

Na haar een flink stuk te hebben laten doorspelen, onderbrak ik haar. Ik benoemde de goede dingen: goede vingertechniek, een grote toon. En ik stelde voor om eens te kijken hoe we het stuk wat spannender en afwisselender konden gaan krijgen. Haar gezicht vertrok, hier had ze niet op gerekend. Ze zei dat iedereen (haar vorige docent, haar moeder, medeleerlingen) haar altijd heel goed vond spelen. Ze wist wel hoe het stuk moest klinken, dus we hoefden het er verder eigenlijk niet zo over te hebben. Vibrato vond ze trouwens niet mooi, dus het was wat haar betreft geen optie om het daarover te hebben. Ik vroeg haar wat ze van de lessen verwachtte. Dat was simpel: ze wilde nieuwe stukken leren spelen. Het was duidelijk dat ik niet de juiste docent was voor haar.

Niet lang hierna las ik over een Amerikaans onderzoek waaruit bleek dat de jongste generatie Amerikaanse werknemers – twintigers – ernstige stresssymptomen vertonen op de werkvloer. Oorzaak zou zijn dat zij als kind door hun ouders oneindig zijn geprezen en gecomplimenteerd, waardoor ze niet hebben leren omgaan met kritiek. In de loop van de jaren is daardoor een dusdanig vertekend zelfbeeld ontstaan, dat ze de realiteit niet aan blijken te kunnen. Pas in de omgang met collega’s blijkt dat zij lang niet altijd de allerbeste, allersnelste, meest inventieve persoon zijn. En worden ze geconfronteerd met situaties waar ze niet altijd meteen zonder kleerscheuren doorheen komen. Voor het eerst in hun leven worden ze geconfronteerd met hun eigen onvermogen. Een burnout laat niet lang op zich wachten.

Ik moest meteen terugdenken aan de proefles met de studente. Was zij eigenlijk niet te veel de hemel in geprezen door een vorige docent of door anderen in haar omgeving? Ouders die haar een groot talent vonden? Ze was bang voor kritiek, dat was duidelijk. Zelfs als die opbouwend was. Want elke soort kritiek geeft immers aan dat je toch nog niet op de top van je kunnen zit. Dat was ze niet gewend van vroeger.

Het tegenovergestelde komt ook vaak genoeg voor: leerlingen die ijverig hun best gedaan hebben om een bepaalde oefening te verbeteren, of die in razendsnel tempo nieuwe stukken ingestudeerd hebben. Maar die vervolgens niet te horen krijgen dat ze de oefening nu inderdaad beter spelen, dat ze goed gestudeerd hebben, dat ze goed vooruit gaan.

Een mooi voorbeeld hiervan vond ik wat mijn moeder ooit vertelde. Op 80-jarige leeftijd volgde zij een cursus Frans. Gewoon, omdat ze het een mooie taal vond, en omdat ze het leuk vond om zichzelf wat uitdaging te geven. Ze sprak al goed Frans en had wat je noemt een talenknobbel, dus het leren ging haar vlot af. Enthousiast maakte ze haar grammatica-opdrachten, vol verwachting ging ze naar de les – ze had het idee dat ze de opdrachten goed begreep en hoopte dat haar docent dat kon bevestigen. Tot haar diepe teleurstelling besteedde deze in de les echter totaal geen aandacht aan haar. Iedereen kreeg de beurt, iedereen werd geholpen als hij iets moeilijk vond. Mijn moeder niet. Zij was namelijk nooit een probleemgeval, dus het was niet nodig om haar aandacht te geven. Ik weet nog goed dat zij zei: “Gek hè, dan ben je 80, en dan voel je je toch als een klein kind. Je wilt gewoon even te horen krijgen dat je het goed gedaan hebt.” Ze kon erom lachen, om haar eigen “kinderachtigheid”, maar het gaf me wel te denken.

Het geven van complimenten is eigenlijk lang niet zo eenvoudig als je zou denken. In het ene geval worden er te veel complimenten uitgedeeld, in het andere geval juist te weinig. Hoe kan je weten of je het goed doet?

Ik denk dat je op twee valkuilen bedacht moet zijn: ga niet uit van je eigen verwachtingspatroon en ga niet uit van de vanzelfsprekendheid van een talent.

Valkuil 1: geef nooit complimenten vanuit jouw eigen verwachtingspatroon van een leerling, maar vanuit het vermogen van die individuele leerling. Ben je verrast hoe je leerling een stuk speelt? Geef je dan een compliment omdat deze leerlingen de andere leerlingen heeft overstegen, en beter speelt dan jij op grond van je ervaringen met andere leerlingen verwacht? Of geef je een compliment omdat de leerling zichzelf heeft overstegen? In het eerste geval hoeft dat voor de leerling zelf eigenlijk niet eens zo’n bijzondere prestatie geweest te zijn – hij wordt beloond voor iets waar hij zijn hand niet voor omdraait. Als je het bij dit soort vlotte complimenten laat en de lat vervolgens nooit hoger legt, zal de leerling al gauw het gevoel krijgen dat hij weinig hoeft te doen om toch zeer goed te spelen. Verveling ligt al gauw op de loer, evenals een schromelijke zelfoverschatting. Zoals in het geval van de leerling die op proefles kwam.

In het tweede geval is het compliment uiteraard zeer terecht: de leerling heeft zichzelf overtroffen en mag daar trots op zijn.

Valkuil 2: vergeet bij snelle, talentvolle leerlingen niet om te benoemen wat er goed gaat en wat er verbeterd is ten opzichte van de vorige keer. Juist bij de leerling bij wie alles van een leien dakje lijkt te gaan, kan je wel eens vergeten dat ook deze leerling zijn best doet en af en toe een steuntje in de rug verdient. Als de leerling goed gestudeerd heeft en dat zijn vruchten afgeworpen heeft, zal hij blij zijn te horen dat hij goed gewerkt heeft.

Ik zag enkele jaren geleden een prachtige documentaire op televisie, getiteld “Een brombeer als ideale leraar”, over Vladimir Perlin, cellodocent aan het conservatorium in Minsk. Hij wordt gefilmd terwijl hij op zijn geheel eigen, bevlogen manier les geeft aan een aantal zeer jonge, talentvolle leerlingen. Op een gegeven moment laat hij een jongen van een jaar of 15 lesgeven aan een jongetje dat enkele jaren jonger is dan hij. De 15-jarige laat de jongere leerling voorspelen, onderbreekt hem en geeft hem een aanwijzing hoe hij een bepaalde passage beter zou kunnen spelen. Vervolgens laat hij de jongen opnieuw beginnen en laat hij hem doorspelen. Dan grijpt Perlin in: “Deed hij het nu beter?” – “Eeeh, ja…” – “Waarom zeg je dat dan niet tegen hem? Nu heeft hij geen idee of hij je aanwijzing goed begrepen heeft. Hoe moet hij dan verder studeren?”

Perlin geeft zijn beide leerlingen – en de kijker – een onvergetelijke les mee. Dàt is het nut van complimenten geven: de leerling zekerheid en zelfvertrouwen geven, de leerling stimuleren om op de juiste weg voort te gaan. Daar wordt elke leerling beter van.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *