Ik mocht pas met dwarsfluitlessen beginnen toen ik 12 jaar was. Dat was het beleid van de muziekschool waar ik mijn lessen zou gaan volgen. Voordat ik daadwerkelijk mocht beginnen, werd er eerst een gehoortestje afgenomen. De leraar sloeg een paar tonen aan op de piano, ik moest zeggen hoeveel dat er waren. Ik moest een stukje zingen en een ritme naklappen. Ik vond het heel spannend allemaal, maar gelukkig werd ik aangenomen.

Waarschijnlijk heeft het geholpen dat ik vanaf mijn 6e al blokfluitles gehad had. Veel herinner ik me echter niet van deze lessen. Ik herinner me geen stukken meer die ik toen speelde, ik speelde bij mijn weten nooit samen. Ik herinner me wel dat mijn blokfluitjuf me vroeg wat ik mooier vond: langzame of snelle stukken. Ik antwoordde: langzame. Dat vond ze heel opvallend, zei ze, want de meeste kinderen van mijn leeftijd hielden juist van snelle stukken. Verder herinner ik me alleen het oranje boekje van de muziekschool waarin mijn huiswerk werd opgeschreven.

Wat ongetwijfeld veel geholpen heeft, en wat ik me wél goed herinner, waren de muzieklessen op de lagere school. Er werd ontzettend veel gezongen op school. Ik herinner me juffrouw Zinkweg, die voor de klas stond in klas 1 en 2 (de huidige groep 3 en 4), en meester Mulder, die voor klas 4 stond. Onder hun enthousiaste leiding hebben we heel wat uren afgezongen in de klas, waarbij vooral de canons favoriet waren. We zongen canons over wodkadrinkende mannen met baarden, over de zingende wielewaal, over de lentemaand mei, over een scharensliep die vertelt hoe hij met zijn slijperswiel zijn geld verdient. Soms zongen we ook het Wilhelmus.

Ik vond het heerlijk. Ik hield van de mooie melodieën, die eindeloos in mijn hoofd bleven rondzingen. De teksten waren soms wat oubollig, maar de juf vertelde er een mooi verhaal omheen. Ik zag die dronken mannen met baarden wel voor me, vrolijk zingend in hun bootje op de Wolga.

Hoogtepunt in mijn zangkunsten was dat ik op mijn 11e in de Kerstmusical van de kerk de hoofdrol van Maria mocht zingen. Huppelend aan de hand van mijn vader, op weg naar de generale repetitie, zei ik opgewonden: “Ik ben zo blij! Vorig jaar was ik nog schaap, en nu ben ik Maria!”

De kerk was afgeladen vol, zoals altijd bij het Kerstspel. Onder het publiek bevond zich, bleek later, hoog gezelschap: prinses Beatrix, prins Claus en hun drie zoons.

Ik ben ervan overtuigd dat de zanglessen op de lagere school mij enorm geholpen hebben in de ontwikkeling van mijn muzikale gehoor. Had ik die lessen niet gehad, dan zou ik pas op mijn 17e, tijdens mijn voorbereiding op mijn toelatingsexamen conservatorium, mijn eerste solfègelessen gehad hebben. Rijkelijk laat voor iemand die van muziekmaken zijn beroep wil maken.

Ik geloof dat ik uit mijn klas de enige ben geweest die later een muziekstudie is gaan doen. Maar alle 30 kinderen (we hadden toen ook al een hele volle klas) zongen altijd uit volle borst mee. Ik herinner me voornamelijk een vrolijke, gezellig sfeer tijdens de muzieklessen.

Een paar decennia later sloegen de bezuinigingen toe. Het mes werd gezet in onderwijs, kunst en cultuur. Voor groei van de economie heb je immers geen muzieklessen nodig. Een kaalslag volgde, met alle gevolgen vandien. Moest je vroeger op de PABO nog een instrument kunnen bespelen, nu is dat al lang geen vereiste meer.

Er groeit nu een generatie kinderen op die nauwelijks in aanraking komt met muziek – omdat hun meesters en juffen het hun niet kunnen aanbieden. Muziek wordt als logisch gevolg hiervan voorbehouden aan uitsluitend die kinderen die door hun ouders buiten school om naar muziekles gebracht kunnen worden. Omdat hun ouders muziekonderwijs belangrijk vinden, en omdat hun ouders het kunnen betalen. Zong vroeger de hele klas mee, het dochtertje van de dokter én het zoontje van de banketbakker, nu is muziek maken iets voor een bevoorrecht groepje kinderen geworden.

Terwijl muziekles toch zo simpel aan te bieden is. Je hebt helemaal geen ingewikkeld instrumentarium nodig, of een schoolorkest, om kinderen met muziek in aanraking te laten komen. Je kunt kinderen ook gewoon laten zingen.

Maar: er gloort een lichtpuntje aan de horizon. Wat we met onze intuïtie decennia geleden al aanvoelden, wordt door middel van steeds meer wetenschappelijke onderzoeken bewezen: muziekonderwijs heeft een enorm positieve invloed op de ontwikkeling van kinderen. Muziek maken maakt kinderen socialer, bevordert de schoolprestaties, het bespelen van een instrument bevordert de motorische ontwikkeling van kinderen. Minister Bussemaker besloot een jaar geleden extra geld uit te gaan trekken voor muziekonderwijs op scholen. Pleitbezorgers van muziekonderwijs als producent Joop van den Ende en neuropsychoolog Erik Scherder kwamen geregeld in de media. Van den Ende als ambassadeur van het nieuwe initatief “Meer muziek in de klas”, Scherder met artikelen en interviews over de positieve invloed van muziek op de ontwikkeling van het kinderbrein.

Afgelopen december was bij Podium Witteman een kinderkoor uit de beruchte Brusselse wijk Molenbeek te gast. Ik was zwaar onder de indruk van de manier waarop koordirigent Zeno Popescu en pianist Julien Libeer deze groep kinderen aan het zingen bracht. Het enthousiasme en plezier spatten ervan af. Deze kinderen leerden veel meer dan alleen zingen.

We hebben net de verkiezingen voor de Tweede Kamer achter de rug. De meest prangend bevonden onderwerpen tijdens de campagnes waren immigratie, zorg en economie. Klimaatverandering mocht zich uiteindelijk in het slotdebat op enige aandacht verheugen, maar onderwijs, kunst en cultuur waren te weinig populair om over te debatteren. Ik hoop echter vanuit de grond van mijn hart dat de komende regering de signalen van het afgelopen jaar oppakt en de trend voortzet: meer muziek op school, voor alle kinderen.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Categorieën: muziek

0 reacties

Geef een antwoord

Avatar plaatshouder

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.