Meneer Herckenrath en de dwarsfluitjuf

Op mijn 13e wist ik zeker dat ik later naar het conservatorium wilde. Ik zat in de 2e klas van het gymnasium en speelde sinds een jaartje dwarsfluit. Daarvoor had ik me zes jaar lang met de blokfluit op Vellekoop boekjes en sonates van Pleyel, Loeillet en tijdgenoten gestort. Mijn klasgenoten vonden mijn ambities maar raar: hoe kon je muziek nou zó leuk vinden dat je er later je beroep van wilde maken? Bovendien, we zaten op een gymnasium. Dan ga je toch naar een universiteit, niet naar een HBO-opleiding?

Ik bleef echter vastbesloten. Mijn fluitdocent, Bob Doeve, zorgde ervoor dat ik af en toe een mooie solo-rol toebedeeld kreeg met het door hem opgerichte Latijns-Amerikaanse bandje en met het Amersfoorts Jeugd Orkest. In datzelfde orkest was ik inmiddels als tweede fluitist aangenomen, na eerst het A- en B-orkest doorlopen te hebben. Ik gaf me, op aanraden van Doeve, op voor audities voor het Europees en Wereld Jeugd Orkest. Niet met het idee dat ik enige kans zou maken erin te komen, maar om alvast te wennen aan het auditeren voor een strenge commissie.

Op mijn 16e had ik, samen met mijn moeder, een ernstig gesprek met de directeur van de Amersfoortse muziekschool, meneer Herckenrath. Mijn toekomstplannen werden serieus genomen, we zouden bespreken wat de muziekschool mij voor extra’s zou kunnen bieden ter voorbereiding op de conservatoriumstudie. Al weken keek ik met angstige verwachting uit naar dit belangrijke gesprek, dat mijn toekomst zou gaan bepalen. Mijn lot lag in handen van meneer Herckenrath.

Meneer Herckenrath deed zijn uiterste best mij geen rooskleurige toekomst als musicus voor te spiegelen. De kans was groot dat ik zou eindigen als dwarsfluitjuf. “Vind je kinderen leuk?” vroeg hij streng. Ik gaf uiteraard meteen het enige politiek correcte antwoord: “Ja!” Natuurlijk had ik helemaal geen zin om later alleen maar vervelende kinderen les te geven, maar als ik door ja te zeggen naar het conservatorium zou mogen had ik er geen moeite mee een kleine leugen uit te spreken.

Enfin, ik kreeg theorieles (wat vond ik dat leuk!), deed toelatingsexamen en werd aangenomen in het eerste jaar. Ik kreeg allerlei nieuwe vakken, zoals muziekgeschiedenis en analyse, en ik studeerde braaf voor mijn hoofdvaklessen. Ik kreeg het vak algemene pedagogiek en leerde dat kleine kinderen nog geen fijne motoriek kennen. Ik nam het voor kennisgeving aan, mijn belangstelling lag eerder bij de ontwikkeling van mijn eigen fijne motoriek. 

In het tweede jaar dacht ik: “Wat doe ik hier?” Het idee dat ik stage zou moeten gaan lopen op een muziekschool benauwde me vreselijk. Had Doeve niet vaak genoeg geklaagd over zijn vreselijke baan als fluitdocent? Hoe vaak had hij niet verzucht: “Ik ben blij dat jij op les komt, eindelijk een geïnteresseerde leerling.” Hoe vaak had hij niet geklaagd over al die kinderen die van hun ouders op les moesten, waar geen land mee te bezeilen viel. Het spookbeeld waar meneer Herckenrath mij al op gewezen had drong zich steeds meer op. Ik begon ernstig te twijfelen of ik wel verder wilde op het conservatorium. Ik schreef me in voor een studie Nederlandse taal- en letterkunde aan de universiteit.

Ik bloeide helemaal op. We hadden waanzinnig interessante colleges over literatuurgeschiedenis, we hadden gezellige excursies naar 17e-eeuwse buitenplaatsen, we leerden teksten schrijven (“taalbeheersing”), we leerden over Chomsky’s theorie van de gemeenschappelijke oertaal, we leerden zelf wetenschappelijk onderzoek doen. Nadat ik mijn scriptie had voltooid (over een 17e-eeuwse broederschap van schilders en dichters, bezongen door Jan Vos, een soort 17e-eeuwse Joop van den Ende) besloot ik mijn onderwijsbevoegdheid te halen, zodat ik eventueel les zou kunnen geven op middelbare scholen.

Ik vond de docentenopleiding geweldig. Met rollenspelen speelden we de meest verschrikkelijke klassensituaties na, de een deed nog meer zijn best dan de ander om het ettertje uit te mogen hangen. De ene student was nog gemotiveerder dan de ander om de meest populaire docent Nederlands te kunnen worden. De ene lessenreeks was nog fantasierijker dan het andere. Wij zouden de leerlingen wel eens gaan vertellen hoe ontzettend leuk het vak Nederlands wel niet was! We liepen stage – mavo, havo, atheneum, gymnasium – en gingen solliciteren. Helaas lagen de onderwijsbanen in die tijd niet voor het oprapen. Ik kwam niet in het onderwijs terecht.

Ik had allerlei uitzendbaantjes en kreeg een mooie vaste aanstelling. Ik zat van negen tot vijf op kantoor, had vrij wanneer andere mensen vrij hadden en leidde een rustig leventje. Te rustig. Te voorspelbaar. Elke dag hetzelfde, elke week hetzelfde, elk jaar hetzelfde…

Ik besloot mijn conservatoriumstudie weer op te pakken. Ik ontmoette andere musici, ik ontmoette mijn aanstaande schoonmoeder, die al bijna 50 jaar bevlogen pianodocente was. En ineens viel het kwartje: lesgeven kon ontzettend leuk zijn, als je er zelf maar in geloofde. Waarom geloofden we als studenten Nederlands wèl dat we de leukste docent konden worden en als conservatoriumstudent niet? Omdat we ons aan volstrekt verschillende voorbeelden hadden gespiegeld. Doeve vond het verschrikkelijk om les te geven, op het conservatorium kreeg ik als eerste onderwijsvak uiterst droge pedagogiek van een docent van wie ik me niets meer herinner. Hoe kan je het dan leuk vinden om les te gaan geven? Op de universiteit kregen we daarentegen van een enthousiast docententeam mee dat er geen leukere uitdaging was dan ons mooie vak Nederlands overbrengen op een klas vol tegendraadse pubers.

Enfin. Inmiddels geef ik al meer dan 25 jaar met enorm veel plezier muziekles. Ik reis sinds onze verhuizing naar de Achterhoek, nu al meer dan een jaar geleden, nog steeds eens per week op en neer naar Amsterdam om daar mijn trouwe fluitleerlingen les te blijven geven. Onderweg van oost naar west staat Radio 1 aan in de auto, zo blijf ik wekelijks op de hoogte van de belangrijkste nieuwsfeiten. Ik fiets op en neer tussen verschillende leslocaties en kom elke woensdagavond laat weer moe maar voldaan in de Achterhoek terug. Niks mooiers dan een 7-jarige zeven compleet verschillende clownkarakters te horen spelen, een 55-jarige te zien genieten van een simpele vibrato-oefening, of een 14-jarige met een brede grijs te horen zeggen: “Dit was een zeer productieve les!” 

Ik heb heel veel goeds geleerd van Doeve, maar in één ding had hij absoluut ongelijk: er blijken veel meer geïnteresseerde leerlingen rond te lopen dan hij me ooit heeft doen geloven. Gelukkig maar!

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *