MOEILIJK PLEKJE

Sinds ik twee jaar geleden met paardrijden begon, besef ik pas echt hoe cruciaal de invloed van een docent is. Als ik geen instructeurs had gehad die mij met het volste vertrouwen op een paard gezet hadden, dan zou ik nooit zo hebben kunnen rijden als ik nu doe.

De eerste keren begon ik altijd met een lichte spanning: zou ik erop blijven zitten? Stel dat het paard ineens gaat bokken, of schrikt en ervandoor gaat. Als ik maar geen nare val zou maken, stuitje, rug of ledematen zou breken… Op de manege waar dochter Anne een tijdlang paardrijlessen had gevolgd, had ik dat al vaak genoeg meegemaakt. Paarden waren altijd onvoorspelbaar, konden schijnbaar uit het niets ineens bokken of in volle vaart in galop schieten. Paardrijden kon flink gevaarlijk zijn. Reden genoeg om het lichtelijk eng te vinden.

Het grote verschil met beginnerslessen op die manege was, dat ik begon met lessen in zelfvertrouwen. Ik werd niet zomaar op een paard gezet om vervolgens rond te hobbelen met als enig doel er niet af te vallen. Nee, ik kreeg eerst les in ‘paardentaal’: hoe zie je of een paard zich op zijn gemak voelt, hoe kan jij zelf ervoor zorgen dat het paard zich op zijn gemak voelt, waarom gaat een paard eigenlijk bokken. Vervolgens mocht ik op het paard zittend allerlei grappige oefeningen doen, terwijl het paard gewoon stilstond, zoals met mijn rechterhand zijn linkeroor aanraken, in de stijgbeugels gaan staan, met mijn armen cirkels in de lucht draaien. En pas daarna, toen ik doorhad dat dat paard er echt niet zomaar vandoor ging, gingen we – aan de longeerlijn, Anne had de touwtjes in handen – eens een paar rondjes stap, draf en zelfs galop doen. Dat werd na een paar weken een paar rondjes zonder longeerlijn, met Anne ernaast, tot uiteindelijk een paar rondjes met Anne in de buurt maar niet met mij bezig en rondjes zonder dat Anne überhaupt nog in de buurt was. Het ging toen al lang niet meer om: blijf ik er wel op zitten, maar om: kan ik het paard in het tempo houden dat ik zelf wil, loopt het paard ontspannen, kan ik mooie overgangen maken van stap naar draf en weer terug. 

Anne is dus mijn dochter. Ik heb haar 20 jaar geleden haar eerste fluitlessen gegeven, zij mij 2 jaar geleden mijn eerste paardrijlessen. 

Inmiddels heb ik van een aantal verschillende mensen lessen gehad, aanwijzingen gekregen of met hun samen gereden. Geen van hen waarschuwde mij ooit dat we nu iets moeilijks of spannends gingen doen. Ze weten zelf precies wat een beginner spannend of eng vindt aan paardrijden, dat hoeven zij heus niet nog een keer te benadrukken. In plaats daarvan kreeg ik instructies als: hou je armen in draf eens zijwaarts gestrekt, ga in slalom om de pionnetjes heen, kijk om je heen in galop, of: dit is een mooi weggetje om te tölten. En ondertussen legden ze me uit hoe een houding of een beweging invloed had op het gedrag van het paard. Door enerzijds deze bewustwording van actie en reactie, anderzijds door het gewoon te dóen, leerde ik zowel het paard als mijzelf te vertrouwen. 

Ooit las ik in een pedagogiekboekje dat je nooit een instructie moet geven met de woorden ‘probeer maar eens…’. Je geeft daarmee namelijk aan de leerling het signaal af dat het wel eens moeilijk kan zijn, terwijl de leerling bij alles wat nieuw is automatisch al denkt ‘o jee, kan ik dat wel’. Indertijd vond ik dat wat geforceerd. Nu begrijp ik wel beter wat ermee bedoeld wordt. Kordaatheid is uitnodigender dan voorzichtigheid. Als de docent al aangeeft dat hij twijfelt of je iets kan, hoe kan je als leerling dan van je eigen kunnen overtuigd zijn? En als de docent al vindt dat iets moeilijk is, hoe kan je dat als leerling dan ooit gemakkelijk vinden? 

Wat te denken van een fluitmethode waarin de auteur alvast de ‘moeilijke plekjes’ in de stukjes apart neemt. De bedoeling is goed – speel plekjes die je moeilijk vindt extra vaak, dan worden ze vanzelf makkelijker – maar het effect is averechts. Op bijna elke bladzijde zie je een zwart omrand ‘moeilijk plekje’ staan, niet zelden ruim twee maten lang, waardoor je bij een eerste blik op het boek al denkt: ‘o jee…’ Met als gevolg dat het plekje bij voorbaat al moeilijk wordt. Dat is als een paardrij-instructeur die roept: ‘Pas op dat je er niet afvalt als je gaat draven!’ Natuurlijk val je er dan af.

Jammer is ook dat er alleen staat dát het een moeilijk plekje is, niet waarom. Waarom de auteur denkt dat de leerling het moeilijk zal vinden staat er niet bij. Is het vanwege de vingers? het ritme? de articulatie? een registerwisseling? Zelfs voor mij als docent is dat niet altijd duidelijk. Voor de leerling zal het zo alleen maar verwarring oproepen, of onzekerheid: doe ik het wel goed? Het is immers een moeilijk plekje!

Door als docent voor de leerling te bepalen wat moeilijk is, help je de leerling niet. Je helpt hem alleen wanneer je passages uitlicht die de leerling zelf als moeilijk ervaart. Als je je voelsprieten uitzet, in de les de tijd neemt om de leerling als persoon te observeren, ontdek je vanzelf de signalen waarmee hij aangeeft dat hij iets moeilijk vindt. Niet elke leerling durft toe te geven dat hij iets moeilijk vindt. Schuift hij bijvoorbeeld telkens hetzelfde boek onderop de stapel, heeft hij ‘weinig tijd gehad’ om juist dat ene stuk te spelen, begint hij uitgebreide verhalen te vertellen op het moment dat je aan een volgend stuk wilt beginnen, wees dan alert: dat kunnen allerlei vormen van ontwijkgedrag zijn. Dat is het moment dat je moet ingrijpen. Pak juist dat stuk aan en leer hem dat hij de problemen kan oplossen.

Wil je de leerling vooruit helpen, wil je dat hij zich kan blijven ontwikkelen en plezier kan hebben in het fluitspelen, dan moet je beginnen bij de basis: zelfvertrouwen. Leer hem het instrument te ontdekken, leer hem op zijn oren en op zijn techniek te vertrouwen. Help hem door moeilijke passages heen zonder te benadrukken dat het moeilijk is; dat voelt hij zelf al. Laat hem ervaren dat hij het kan, door samen met hem te studeren, hem oplossingen aan te bieden en zelf oplossingen te laten vinden. Als hij begrijpt hoe hij zijn toonvorming kan beheersen, zal hij niet bang zijn om op een zachte c3 te moeten beginnen. Als hij leert hoe hij accenten kan spelen zonder dat de toon overslaat, of dubbelstaccato kan spelen zonder dat de klank wegvalt, vloeiend legato kan spelen van laag naar hoog register, kan spelen zonder met zijn ogen aan de bladmuziek gekluisterd te zijn – dan kan hij met veel meer lef, vrijheid en gevoel muziek gaan maken. En zal hij een oneindig plezier aan fluitspelen kunnen beleven.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *