Over verstoppertje spelen en lesgeven

Klaas Jan was anders dan anderen. Nog in de derde klas van de middelbare school speelde hij tijdens de pauze in zijn eentje verstoppertje achter de pilaren in de gang. Hij had reuze veel pret. We vonden hem een beetje raar, maar ook wel grappig. Hij stoorde ons niet.

Klaas Jan haalde altijd de hoogste cijfers van de klas. Vooral bij wiskunde, natuurkunde en scheikunde. Ook dat hoorde bij Klaas Jan. Niemand die zich daaraan ergerde, of hem daarom een vervelend “studje” vond. Hij was nou eenmaal zo.

We hadden op vrijdag altijd scheikunde van Van Prooijen. Ik was altijd op mijn hoede bij Van Prooijen: ze kon onrechtvaardig streng zijn, mensen voor schut zetten in de klas, maar ook ineens onverwachts vriendelijk uit de hoek komen. Ik wist nooit wat ik van haar kon verwachten, en verheugde me daarom ook nooit op de scheikundeles.

Tijdens een van de scheikundelessen werd Van Prooijen door de rector de klas uit gehaald – er was een of ander spoedgeval, waar haar aanwezigheid als decaan dringend bij gewenst was. Wij zagen al een vrij lesuur aankomen, maar Van Prooijen besloot wat anders: “Klaas Jan, ga jij voor de klas staan en bespreek jij met hun het huiswerk?” – en weg was ze. Stomverbaasd zagen we Klaas Jan naar voren lopen en hoorden we hem de eerste opdracht uitleggen. Het kleutertje van het verstoppertje spelen was ineens een serieuze leraar geworden, die op zeer heldere wijze precies dat wist uit te leggen wat wij niet snapten. Waar Van Prooijen soms wat smalend kon doen – “Snap je dat nou nog niet?” – luisterde hij geduldig naar onze vragen en gaf hij een kraakheldere oplossing.

Vanaf dat moment keken we met respect naar Klaas Jan. En stiekem, al wilde ik dat niet helemaal toegeven op dat moment, vond ik het een geniale zet van Van Prooijen. Zij had Klaas Jan de gelegenheid gegeven om een heel andere kant van zichzelf te laten zien. Een kant die respect afdwong.

Nu, met mijn eigen leerlingen, denk ik vaak aan het voorval met Klaas Jan terug. Als een leerling wat stilletjes is, er een beetje buiten valt, niet zo goed meekomt – misschien is er dan wel een andere kant van die leerling waarin hij uitblinkt. Als een leerling niet goed van het blad kan lezen, kan hij misschien wel heel goed improviseren. Als een leerling niet kan meekomen in snelle passages, kan hij misschien wel uitblinken in klankvorming en expressie.

Groepslessen en uitvoeringen zijn het ultieme middel om leerlingen juist die kant van zichzelf te laten zien of horen, waarin zij uitblinken. Mits je ze daartoe de gelegenheid geeft. Het is verleidelijk bijvoorbeeld om altijd dezelfde leerling de 1e stem te laten spelen, de programmavolgorde van een uitvoering van beginner naar sterleerling op te bouwen, zelf overal de regie in handen te houden, leerlingen voor de veiligheid van blad te laten spelen. Door de rollen om te draaien, de omstandigheden te veranderen, kan je echter ineens tot verrassende ontdekkingen komen.

Een paar jaar geleden had ik twee 8-jarige leerlingen die vriendjes waren geworden door de fluitlessen. Ze hadden totaal verschillende capaciteiten. De een was heel goed in op het gehoor spelen, de ander in leeswerk en theorie. De een had een natuurlijk ritmegevoel, de ander was wat stroever. Ze hadden individuele lessen, maar op hun verzoek regelde ik geregeld duo-lessen of liet ik hun lessen overlappen: een gedeelte van de les alleen, een gedeelte samen. In deze duo-lessen zorgde ik er steeds voor de aandacht zoveel mogelijk te verdelen over beide kinderen, en hun allebei zoveel mogelijk hun eigen goede kanten te laten horen. De ene keer deed ik toonladders met ze, de andere keer speelden ze een duet samen, weer een andere keer liet ik ze improviseren.

De laatste les voor de zomervakantie had ik, ook weer op hun verzoek, een quiz gemaakt. Om ze allebei zoveel mogelijk kans op goede antwoorden te geven had ik gehoorvragen gecombineerd met leesvragen. Ik gaf ze bijvoorbeeld drie verschillende melodietjes op papier en speelde er eentje – zij moesten aangeven welke ik gespeeld had; of ik speelde één foute noot en zij moesten aangeven welke. Er was een vraag over de toonsoort van een stukje, of de opdracht om een incomplete maat af te maken met één passende noot of rust. Voor elk goed antwoord konden ze een punt krijgen.

Inderdaad scoorde de een heel goed op de ene soort vragen en de ander heel goed op de andere soort vragen. Sterker nog: tot ons aller verbazing hadden ze na afloop exact hetzelfde aantal punten!

Het eerste wat de ouders hoorden toen ze hun kroost ophaalden was een opgewonden unisono uitroep: “We hadden precies evenveel punten!”

Een beter begin van de zomervakantie kan je je niet wensen.

Meer ideeën over lesgeven vind je in Van fluit leren spelen naar muziek kunnen maken.

© Josine Brackman-Pijnacker Hordijk

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *